Conclusie -voorbeeldvertaling EN / NL

 

Doeltekst Nederlands

 

4 Vertrouwelijke kennisneming rechtshulpverzoek door civiele rechter

4.1 In zijn arrest van 11 juli 2008 heeft de Hoge Raad een van artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht afgeleide procedure geschetst met het oog op de positie van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst als gedaagde in een kort geding, welke procedure ook in dit geval, gezien het hiervoor geschetste kader, zou moeten en kunnen worden toegepast.

HR 11 juli 2008, NJ 2009, 451, rov. 3.4.6 e.v. m.nt. E.J. Dommering
Zie eerder, in een Antillenzaak, HR 20 december 2002, NJ 2004, 4 m.nt. Vranken

4.2 In genoemd arrest uit 2008 heeft de Hoge Raad overwogen dat er in de civiele procedure voldoende mogelijkheden zijn om te waarborgen dat vertrouwelijke gegevens niet in de openbaarheid komen. De op partijen rustende verplichting om in het kader van een civiele procedure inlichtingen te verstrekken dan wel stukken over te leggen, geldt blijkens art. 22 Rv niet onder alle omstandigheden. Gewichtige redenen kunnen een weigering van een partij om aan die verplichting te voldoen rechtvaardigen. Van gewichtige redenen kan volgens de Hoge Raad sprake kan zijn als in de concrete omstandigheden van het geval de belangen waarop het beroep op geheimhouding ten aanzien van bijvoorbeeld, zoals in dit geval, stukken zich in het bijzonder richt, zwaarder wegen dan “het zwaarwegende maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt”. De Staat meent dat daarvan, gezien het hiervoor in de onderdelen 2 en 3 gestelde, in dit geval sprake is en beroept zich daar uitdrukkelijk op.

4.3 De rechter die de vraag of gewichtige redenen geheimhouding met betrekking tot bepaalde stukken (of gedeelten daarvan) of bepaalde inlichtingen rechtvaardigen, zal die vraag in het algemeen niet kunnen beantwoorden zonder kennis te nemen van die stukken of die inlichtingen, zoals de Hoge Raad heeft overwogen. Voor zover de rechtbank zelf het rechtshulpverzoek van de Russische autoriteiten wil zien voor de beantwoording van de vraag of de belangen waarop het beroep op geheimhouding ten aanzien van (de inhoud van) het rechtshulpverzoek zich richt zwaarder wegen dan het zwaarwegende maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt, biedt de Staat dan ook aan het rechtshulpverzoek met het oog op die beoordeling toe te zenden.

4.4 Vervolgens kunnen zich twee situaties voordoen. De Staat gaat er vanuit dat de rechtbank – gezien het hiervoor in de onderdelen 2 en 3 gestelde, dan wel na kennisneming van het rechtshulpverzoek – tot het oordeel komt dat geheimhouding om gewichtige redenen gerechtvaardigd is. In dat geval vervalt de verplichting tot het geven van inlichtingen over de inhoud van het rechtshulpverzoek of het overleggen ervan. De voorzieningenrechter kan vervolgens kennis nemen van de inhoud van het rechtshulpverzoek en die bij zijn beoordeling betrekken, zonder dat eiseres kennis mag nemen van het rechtshulpverzoek. Daarvoor is wel vereist dat eiseres daarvoor ondubbelzinnig toestemming geeft. Zou eiseres daar niet mee instemmen, dan zal de voorzieningenrechter uit het niet verlenen van die toestemming volgens de Hoge Raad de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.
Zou de rechtbank niet tot het oordeel komen dat vertrouwelijkheid gerechtvaardigd is, dan is het aan de Staat te bezien of hij het rechtshulpverzoek alsnog in het geding brengt of dat hij dat niet doet. Hij kan die vraag dan nog voorleggen aan de Russische autoriteiten, van wie de informatie immers afkomstig is en die het rechtshulpverzoek hebben gedaan alsmede om vertrouwelijke behandeling ervan hebben gevraagd. Zou het oordeel van de rechtbank inhouden dat vertrouwelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan mag de voorzieningenrechter er geen kennis van nemen zonder dat eiseres diezelfde gelegenheid heeft.

4.5 De Hoge Raad heeft ook nog overwogen dat als bedoelde toestemming niet door de andere partij – in dit geval eiseres – wordt verleend, dan wel als de rechter heeft geoordeeld dat geen gewichtige redenen aanwezig zijn voor de weigering de desbetreffende informatie in het geding te brengen doch de Staat daarin zou volharden, de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat de rechter die over de geheimhouding heeft beslist en in dat verband heeft kennisgenomen van de stukken of inlichtingen waarom het gaat, in dit geval dus het rechtshulpverzoek, niet deelneemt aan de verdere behandeling van het geding. Eventueel aan deze rechter ter beschikking gestelde stukken worden aan de partij die zich op geheimhouding beroept (de Staat) teruggegeven. Aldus is volgens de Hoge Raad verzekerd dat de inlichtingen of stukken waarvan de rechter die over de weigering heeft geoordeeld, tot dat doel kennis heeft genomen maar die door de Staat niet in het geding worden gebracht, verder buiten het geding blijven en dus niet geopenbaard worden.
In het arrest van 11 juli 2008 ging het om een casus van de AIVD, waarvoor specifieke wetgeving geldt die niet op het geschil in dit kort geding van toepassing is. De eisen van een effectief internationaal rechtshulpverkeer brengen evenwel mee dat daarmee op dezelfde wijze wordt gehandeld als hiervoor in onderdeel 4.4 besproken. In dat onderdeel heeft de Staat erop gewezen dat hij de vraag of het rechtshulpverzoek daadwerkelijk in het geding wordt gebracht als het beroep op geheimhouding zou worden verworpen nog eens aan de Russische autoriteiten moet kunnen voorleggen.

4.6 De Staat vraagt nog graag nadrukkelijk aandacht voor het volgende. De hiervoor geschetste procedure betekent ook dat de voorzieningenrechter, als hij zelf kennis zou (willen) nemen van het rechtshulpverzoek met het oog op de beoordeling van het beroep van de Staat op geheimhouding, de vordering in kort geding eventueel niet zelf zal kunnen behandelen, maar dat een andere voorzieningenrechter het kort geding verder zou moeten behandelen. Zodanige wisseling van rechter zou kunnen worden voorkomen, zo de rechtbank daar behoefte aan zou hebben, door een andere rechter te laten oordelen over het beroep op geheimhouding.

 

Brontekst Engels

 

4    Confidential inspection of the legal aid request by the civil judge

4.1    In its decision of July 11th 2008, the Supreme Court outlined a procedure derived from article 8, book 29 of the general administrative law Act in view of the position of the General Intelligence and Security Department [GISD] being the defendant in summary proceedings, which proceedings could and should also be applied to this case, in view of the above outlined context.

Supreme Court July 11th 2008, NJ 2009, 451, legal ground 3.4.6. et seq. with a note from E.J. Dommering
Refer to an Antillean case, Supreme Court December 20th 2002, NJ 2004, 4 with a note from Vranken

4.2    In this decision from 2008, the Supreme Court considered that there are sufficient possibilities in the civil proceedings to guarantee that confidential information is not publicly disclosed. The obligation that is binding upon the parties in order to supply information with respect to the civil proceedings, or to submit documents, does not apply under all circumstances according to art. 22 of the Code of Civil Procedure. Significant reasons may justify a party’s refusal to fulfill its obligation. Significant reasons exist according to the Supreme Court, when in specific circumstances the interests on which the appeal to secrecy with regard to – in this case – documents is mainly focused, are considered to be more important than the “considerable social interest that truth will come to light in a court of law”.  The State believes that this is the case here, in view of the above statements in 2 and 3, and explicitly appeals to these statements.

4.3    The judge who is to consider the question as to whether significant reasons justify secrecy with regard to certain documents (or parts thereof) or certain information, is generally unable to answer this question without becoming acquainted with such documents or information, as the Supreme Court has decided. To the extent the court itself wishes to see the legal help request from the Russian authorities in order to answer the question as to whether the interests to which the appeal to secrecy with regard to (the contents of) the legal help request is focused, are considered to be more important than the considerable social interest that will come to light in a court of law, the State offers to submit the legal help request to the court in view of such assessment.

4.4    Subsequently, two situations may arise. The State presumes that the court – in view of the above statements made in 2 and 3, or after having become acquainted with the legal help request – will reach the judgment that secrecy is justified for significant reasons. In that case, the obligation to supply information on the contents of the legal help request or to submit the request is cancelled. The judge may then become acquainted with the contents of the legal help request and make this part of his judgment, while the plaintiff is not allowed to become acquainted with the legal help request. The plaintiff will however have to give its unambiguous permission to this. If the plaintiff should not agree, then, according to the Supreme Court, the judge could draw a conclusion that he deems advisable through not giving permission.
If the court should not judge that confidentiality is justified, then it will be up to the State to consider whether or not it still wishes to submit the legal help request to the proceedings. The State may then submit this question to the Russian authorities because the information originates from them, and they made the request for legal help and asked for confidential treatment of it. If the judgment of the court includes that confidentiality is not justified, then the judge will not be allowed to become acquainted with it if the plaintiff will not be given the same opportunity to become acquainted with the request.

4.5    The Supreme Court also considered that if the permission is not given by the other party – in this case the plaintiff – or if the judge decided that no significant reasons are present for the refusal of submitting the information to the proceedings, however the State would persist in this, the requirements of proper administration of justice involve that the judge who has decided upon secrecy, and in this respect has become acquainted with the respective documents or information – in this case the legal help request – does not take part in a further trial of the proceedings. Any documents provided to this judge will be returned to the party who appeal to secrecy (the State). In this way it will, according to the Supreme Court, be guaranteed that the information or documents, which the judge who judged on the refusal has become acquainted with for this purpose however which are not submitted to the proceedings by the State, will not be dealt with in court and will therefore not be disclosed.
The decision of July 11th 2008 dealt with a case from the GIDS, to which specific law applies which is not applicable to the dispute in these summary proceedings. The requirements of effective international legal help exchange however involve that the same methods of action are used as discussed above in 4.4. In that judgment the State pointed out that it could present the question to the Russian authorities as to whether the legal help request will indeed be submitted to the proceedings if the appeal to secrecy should be refused.

4.6    The State would like to explicitly draw attention to the following point. The above outlined procedure also means that the judge, if he himself would (want to) become acquainted with the legal help request in view of the judgment of the State’s appeal to secrecy, may possibly not be dealing with the claim in summary proceedings himself, however, another judge may be dealing with the claim in summary proceedings. Such change of judges could be avoided, if the court so wishes, by having another judge assess the appeal on secrecy.